Welk onderzoek is nodig voor een ICSI-behandeling? | Allereerst is het nodig dat de man (meerdere malen) het sperma inlevert voor onderzoek. Blijkt daaruit dat u in aanmerking komt voor ICSI, dan adviseert de gynaecoloog bloedonderzoek naar de chromosomen van de man. Bij mannen met verminderde vruchtbaarheid is er een vijfmaal grotere kans op afwijkingen in de chromosomen zonder dat zij zelf verschijnselen of klachten hebben. De uitslag van dit bloedonderzoek is na zes tot twaalf weken bekend. Bij het onderzoek wordt gekeken naar de aantallen en de samenstelling van de chromosomen. Elke cel in het lichaam heeft 23 paar chromosomen, waarvan één paar de geslachtschromosomen bevat: X en Y. Vrouwen hebben als geslachtschromosoom twee X-chromosomen (XX), mannen een X- en een Y-chromosoom (XY). Bij mannen met verminderde vruchtbaarheid kunnen er afwijkingen aan de chromosomen bestaan; zo kunnen bijvoorbeeld stukjes van twee chromosomen onderling van plaats zijn gewisseld. De bouwstof voor de chromosomen is het DNA. Soms kan er bij verminderde vruchtbaarheid van de man een stukje DNA ontbreken van het Y-chromosoom: een Y-deletie of azöospermiefactor, AZF). Dit wordt van vader op zoon doorgegeven. Ook kan er in het DNA een afwijking bestaan die kan wijzen op een verhoogde kans op dragerschap van taaislijmziekte (cystic fibrosis). Soms kan bij taaislijmziekte als enige verschijnsel een aangeboren afwijking aan de zaadleiders bestaan: het zaad wordt dan wel aangemaakt, maar het kan niet naar buiten komen. Dragerschap voor taaislijmziekte komt bij mannen met verminderde vruchtbaarheid even vaak voor als bij andere mannen. Alleen als de vrouw ook drager is van taaislijmziekte kan dit consequenties hebben voor de algehele gezondheid van het kind. Dit zal de gynaecoloog met u bespreken. Een verminderde vruchtbaarheid bij mannen kan ook in de familie zitten; de erfelijke factoren die dan een rol spelen, zijn (nog) niet bekend.
Bron: www.nvog.nl |
|