Het verloop van een ICSI-behandeling is vergelijkbaar met een IVF-behandeling. Het verschil tussen beide behandelingen is hoe de zaadcel(len) en de eicel(len) in het laboratorium worden samen gebracht. Bij IVF worden duizenden zaadcellen met de eicellen samen gebracht in een reageerbuis. Bij ICSI wordt in het laboratorium één zaadcel in een eicel gebracht met behulp van een kleine naald (zie figuur 1). Figuur 1 Het inbrengen van de zaadcel in de eicel met behulp van een kleine naald. De eicellen worden uit de eierstokken gezogen, net zoals bij IVF. De zaadcellen worden uit de zaadlozing gehaald of eventueel uit de bal of bijbal gezogen door middel van een naald. Een paar dagen na de bevruchting, in een stadium van acht of minder cellen: Figuur 2. Na het inbrengen van de zaadcel in de eicel, groeit deze uit tot een embryo; in een stadium van acht cellen of minder wordt dit embryo in de baarmoeder geplaatst. Hierna wordt afgewacht of de innesteling plaatsvindt. De kans op zwangerschap is afhankelijk van de leeftijd van de vrouw en bedraagt ongeveer 20 procent per ICSI-behandeling. Deze kans is dus even groot als bij een IVF-behandeling. Van de zwangerschappen die na ICSI ontstaan, eindigt ongeveer 25 procent in een miskraam. |